zondag 19 mei 2013
Sleutel
Bij alles wat je op je werk doet, zegt je baas dat je het niet goed doet. Je werkt in een dierenwinkel. Zelfs wanneer je doet wat je baas zegt, zegt hij dat dat niet goed is. Dan zegt hij dat je zelf initiatief moet nemen en niet moet wachten tot hij iets zegt en je dat dan gaat doen. Als jullie een gesprek voeren, over welk hondenvoer jullie deze week in de aanbieding doen, noem je een merk. Dan zegt je baas dat dat geen goede keuze is. Dat de marge op dat hondenvoer veel te laag is. Hij zegt dat hij dat hondenvoer wel in de aanbieding kan doen, maar dat hij dan mensen zal moeten laten gaan. Je baas vertelt iedere dag aan klanten dat het bedrijf iedere dag groeit, dan vertelt hij hoeveel mensen hij in dienst heeft. Er is niet veel te doen in de dierenwinkel, jullie zijn met te veel mensen. Het bedrijf heeft drie diepe magazijnen. Achterin het derde magazijn staat een stapel zachte, slappe kattenmanden. Als niemand kijkt, ga je op die stapel zitten en probeer je zo lang mogelijk te blijven zitten. Dan steek je je hand in je broekzak en voel je de winkelsleutel in je broekzak en denk je er aan om een baksteen door de voorruit van de dierenwinkel te gooien en dan de winkelsleutel door de brievenbus van de dierenwinkel te gooien.
zondag 12 mei 2013
Boterbloemen
Ik loop van mijn huis naar mijn atelier. Het is zondagochtend. Ik heb geen kater. Ik heb gisteravond de muren van mijn nieuwe huis geverfd. Ik heb een nieuw huis, het is mijn vijfde huis in zes jaar tijd, ik woon er nog niet. Ik ben niet iemand die graag verhuisd, ik wil dat alles, altijd, hetzelfde blijft, maar de wereld beweegt en ik beweeg mee. Ik heb gisteravond tijdens het verven een blikje bier gedronken, het duurde drie uur voor het blikje leeg was. Mijn nieuwe huis heeft veel muren. Mijn nieuwe huis bevindt zich precies tussen mijn oude huis en mijn atelier. Daar gaat mijn lichaamsbeweging.
Ik loop door mijn nieuwe buurt, een buurt met brede straten. Er ligt geen afval op de grond. Een vrouw zet de groene bak buiten. Volgens mij mag de groene bak officieel nog niet buiten staan. De vrouw draagt een beige badjas. Ze roept dat ze het zat is, dat ze het helemaal zat is. De vrouw zet de groene bak aan de rand van de stoep neer. Ik doe alsof ik haar niet hoor. Ik wil geen gesprek met de vrouw beginnen, ik houd de mensen graag op afstand. De deur van de vrouw staat open, ik kijk naar binnen. In de gang van haar huis staat een paard van papier-maché. Het hoofd van het paard is naar de deur gericht. Het is een paard op ware grootte. Het paard is van bobbelig wit papier gemaakt en heeft twee zwarte ogen. Ik loop door, ik weet niet of de vrouw haar huis binnen gaat en wat er verder allemaal gebeurd.
Ik loop langs een parkje. De lente is begonnen, de bloemen werken mee en bloeien boven de grond. Ik zie narcissen en paardenbloemen en krokussen, alleen boterbloemen zie ik niet. Wat is er met de boterbloemen gebeurd? Ik zie ze nooit meer. Het is lang geleden dat ik een boterbloem in mijn handen heb gehad en mijn vingers langs de vette gele bladeren liet gaan.
Ik loop door mijn nieuwe buurt, een buurt met brede straten. Er ligt geen afval op de grond. Een vrouw zet de groene bak buiten. Volgens mij mag de groene bak officieel nog niet buiten staan. De vrouw draagt een beige badjas. Ze roept dat ze het zat is, dat ze het helemaal zat is. De vrouw zet de groene bak aan de rand van de stoep neer. Ik doe alsof ik haar niet hoor. Ik wil geen gesprek met de vrouw beginnen, ik houd de mensen graag op afstand. De deur van de vrouw staat open, ik kijk naar binnen. In de gang van haar huis staat een paard van papier-maché. Het hoofd van het paard is naar de deur gericht. Het is een paard op ware grootte. Het paard is van bobbelig wit papier gemaakt en heeft twee zwarte ogen. Ik loop door, ik weet niet of de vrouw haar huis binnen gaat en wat er verder allemaal gebeurd.
Ik loop langs een parkje. De lente is begonnen, de bloemen werken mee en bloeien boven de grond. Ik zie narcissen en paardenbloemen en krokussen, alleen boterbloemen zie ik niet. Wat is er met de boterbloemen gebeurd? Ik zie ze nooit meer. Het is lang geleden dat ik een boterbloem in mijn handen heb gehad en mijn vingers langs de vette gele bladeren liet gaan.
zondag 5 mei 2013
Ik stink
Als Erna de klas binnenkomt, beginnen we te lachen. Wat is ze toch dik en wat draagt ze toch stomme kleren. Ze is net op tijd. Als Erna op haar plek gaat zitten, gaat de bel. De jongen die naast haar moet zitten, schuift zijn stoel een stukje opzij, draait zich om en knijpt zijn neus dicht. We lachen. We zitten in groepjes van zes tafels in de klas. Onze tafels zijn met de voorkanten tegen elkaar aangeschoven.
Als de meester zich omdraait, sluipt een jongen naar Erna toe. Hij plakt voorzichtig een briefje op haar rug, op de stof van haar roze trainingspak. Op het briefje staat: Ik stink.
We lachen. De meester draait zich om naar de klas, we stoppen met lachen, de leraar ziet niet vreemds en begint weer sommen op het bord te schrijven. Erna kijkt om zich heen, ze snapt niet waarom we allemaal zo lachen. Ze kijkt naar beneden, ze schrijft niet mee met wat de meester op het bord schrijft.
Ik teken een drol op een stuk papier. Ik kleur de drol in met een bruine viltstift en knip de drol uit. Met de drol achter mijn rug loop ik naar voren. De meester vraagt me wat ik denk dat ik aan het doen ben. Ik zeg dat ik even een puntenslijper moet lenen. De jongen naast Erna geeft me zijn puntenslijper, een rode met blauwe auto’s erop. Ik buk en leg de drol onder de stoel van Erna. Als ik terugloop naar mijn tafel zie ik hoe mijn klasgenoten hun lachen proberen in te houden en hoe dat niet lukt.
Als de schooldag voorbij is, wacht de moeder van Erna haar buiten op. Erna mag nooit alleen naar huis lopen, haar moeder komt haar altijd ophalen. We vermoeden dat ze Jehova’s Getuigen zijn en dat Erna ieder weekend langs de deuren moet om het woord van God aan te bieden.
Ik heb een krantenwijk in de wijk waar Erna woont. Iedere week breng ik daar de wijkkrant rond. De krantenwijk staat op naam van mijn moeder. Ik ben nog niet oud genoeg om een krantenwijk te mogen hebben. Altijd als ik bij het huis van Erna kom, staat ze me op te wachten. Dan geef ik haar de krant, ze stopt hem zelf in haar brievenbus. Dan loopt ze een stukje met me mee. Ze stelt me vragen waar ik zo kortaf mogelijk antwoord op geef. Ondertussen hoop ik dat we niemand uit onze klas tegenkomen.
Vijftien jaar later bezocht ik een concert. Ik was vijfentwintig. Ik had wat mensen gevraagd of ze mee wilden gaan naar het concert, maar niemand wilde mee. Ik stond met mijn rug tegen de bar en dronk bier uit harde plastic bekers. Hoewel ik alle liedjes van de band uit mijn hoofd kende, zong ik niet mee. Voor me stonden een jongen en een meisje. Terwijl ze elkaar aankeken zongen ze alle liedjes hardop mee met hun vuisten in de lucht. Na ieder nummer knuffelden ze elkaar. Erna haar haar was lang geworden, ze droeg geen roze trainingspak meer, niemand had een uitgeknipte drol onder haar gelegd, er waren geen briefjes op haar rug geplakt waarop stond dat ze stonk. Erna kuste haar vriend en liep naar de bar toe. Ze stond naast me. Ze bestelde twee glazen bier en draaide zich om naar haar vriend, hij lachte naar haar, haar haar zwiepte in mijn gezicht. Haar haar rook erg lekker.
Als de meester zich omdraait, sluipt een jongen naar Erna toe. Hij plakt voorzichtig een briefje op haar rug, op de stof van haar roze trainingspak. Op het briefje staat: Ik stink.
We lachen. De meester draait zich om naar de klas, we stoppen met lachen, de leraar ziet niet vreemds en begint weer sommen op het bord te schrijven. Erna kijkt om zich heen, ze snapt niet waarom we allemaal zo lachen. Ze kijkt naar beneden, ze schrijft niet mee met wat de meester op het bord schrijft.
Ik teken een drol op een stuk papier. Ik kleur de drol in met een bruine viltstift en knip de drol uit. Met de drol achter mijn rug loop ik naar voren. De meester vraagt me wat ik denk dat ik aan het doen ben. Ik zeg dat ik even een puntenslijper moet lenen. De jongen naast Erna geeft me zijn puntenslijper, een rode met blauwe auto’s erop. Ik buk en leg de drol onder de stoel van Erna. Als ik terugloop naar mijn tafel zie ik hoe mijn klasgenoten hun lachen proberen in te houden en hoe dat niet lukt.
Als de schooldag voorbij is, wacht de moeder van Erna haar buiten op. Erna mag nooit alleen naar huis lopen, haar moeder komt haar altijd ophalen. We vermoeden dat ze Jehova’s Getuigen zijn en dat Erna ieder weekend langs de deuren moet om het woord van God aan te bieden.
Ik heb een krantenwijk in de wijk waar Erna woont. Iedere week breng ik daar de wijkkrant rond. De krantenwijk staat op naam van mijn moeder. Ik ben nog niet oud genoeg om een krantenwijk te mogen hebben. Altijd als ik bij het huis van Erna kom, staat ze me op te wachten. Dan geef ik haar de krant, ze stopt hem zelf in haar brievenbus. Dan loopt ze een stukje met me mee. Ze stelt me vragen waar ik zo kortaf mogelijk antwoord op geef. Ondertussen hoop ik dat we niemand uit onze klas tegenkomen.
Vijftien jaar later bezocht ik een concert. Ik was vijfentwintig. Ik had wat mensen gevraagd of ze mee wilden gaan naar het concert, maar niemand wilde mee. Ik stond met mijn rug tegen de bar en dronk bier uit harde plastic bekers. Hoewel ik alle liedjes van de band uit mijn hoofd kende, zong ik niet mee. Voor me stonden een jongen en een meisje. Terwijl ze elkaar aankeken zongen ze alle liedjes hardop mee met hun vuisten in de lucht. Na ieder nummer knuffelden ze elkaar. Erna haar haar was lang geworden, ze droeg geen roze trainingspak meer, niemand had een uitgeknipte drol onder haar gelegd, er waren geen briefjes op haar rug geplakt waarop stond dat ze stonk. Erna kuste haar vriend en liep naar de bar toe. Ze stond naast me. Ze bestelde twee glazen bier en draaide zich om naar haar vriend, hij lachte naar haar, haar haar zwiepte in mijn gezicht. Haar haar rook erg lekker.
zondag 21 april 2013
Neuken
Hoewel we pas sinds kort een erectie konden krijgen, deden mijn vriendjes en ik alsof neuken geen geheimen voor ons kende. We praatten de hele dag over neuken, over wie we geneukt hadden en over wie we nog dringend eens moesten neuken. Als we een jongen die we niet mochten een loer wilden draaien, wezen we op een meisje en zeiden we: ‘Zij neukt al.’ Dan ging die jongen achter dat meisje aan en kwam hij van een koude kermis thuis. We hadden nog geen haar boven onze professortjes, de meisjes hadden nog geen haar op hun spleetjes, de meisjes hadden even grote borsten als wij.
Een vriendje kreeg verkering met een meisje dat hem de hele dag wilde aftrekken. Hij moest van haar een trainingsbroek dragen, zodat ze hem makkelijk kon aftrekken. Als we met z’n allen een film zaten te kijken, hoorden we ons vriendje kreunen en dan wisten we dat hij weer afgetrokken werd. Na een paar weken maakte het vriendje de verkering uit, hij zei dat zijn lichaam rust nodig had en dat hij wel weer eens een spijkerbroek wilde dragen. Inmiddels is het meisje volwassen en is ze getrouwd met een fietsenmaker.
Een vriendje kreeg verkering met een meisje dat hem de hele dag wilde aftrekken. Hij moest van haar een trainingsbroek dragen, zodat ze hem makkelijk kon aftrekken. Als we met z’n allen een film zaten te kijken, hoorden we ons vriendje kreunen en dan wisten we dat hij weer afgetrokken werd. Na een paar weken maakte het vriendje de verkering uit, hij zei dat zijn lichaam rust nodig had en dat hij wel weer eens een spijkerbroek wilde dragen. Inmiddels is het meisje volwassen en is ze getrouwd met een fietsenmaker.
donderdag 18 april 2013
Huis
Mijn vriendin en ik wonen alweer bijna twee jaar in hetzelfde huis. We zijn al zes jaar samen, dit is ons vierde huis samen. Mijn vriendin wil een huis met een tuin, met katten en kinderen en buren die naar ons zwaaien en met een groene en een zwarte bak voor de deur waar we ons afval in kunnen scheiden en een achterom om met onze fietsen via de tuin in de schuur te kunnen komen. Ik wil niets. Ik wil zoveel mogelijk stilte en alleen zijn. Ik wil haar wensen vervullen, zodat ik stilte om me heen hoor, met af en toe een gelukzalige zucht. Mijn vriendin heeft een nieuw huis op het oog. Ze heeft onze inkomens berekend. Als we in een tabel wat getallen van links naar rechts verschuiven, of andersom, dan komen we in aanmerking voor het nieuwe huis, en mogen we het huren.
We lopen over straat. Het nieuwe huis is vijftien minuten lopen van het huis waar we nu wonen. Als we de straat uitlopen, pak ik de hand van mijn vriendin vast, ik ben nuchter, ik heb niet gedronken. Mijn vriendin kijkt me aan en zegt dat ze niet wist dat ik iemand ben die de hand van zijn vriendin vastpakt. Ik laat haar hand los en zeg dat ik dat deed omdat ik nuchter ben, dat ik mezelf niet ben. Mijn vriendin zegt dat ze het niet erg vindt. Ze probeert mijn hand weer te pakken, maar ik heb mijn handen in de zakken van mijn jas gestoken. Als we naar het nieuwe huis lopen, lopen we langs een park.
Door het park jogt een groep zwangere vrouwen. Het zijn er zeker zeventien. Ik pak de hand van mijn vriendin vast en trek haar naar beneden, om ons te verstoppen voor deze gestoorde onheilsbrengers. Vanachter een struik kijken we naar de joggende, zwangere vrouwen. Ze dragen felgekleurde kleding over hun bolle buiken en lijken zich niet te schamen. Op onze knieën sluipen we verder naar de nieuwe woning. Het wordt langzaam donker, we bereiken de nieuwe woning. Mijn vriendin durft de voortuin in te lopen en kijkt door de ramen van het nieuwe huis naar binnen. Ik kijk om me heen. Een overbuurman kijkt wat we aan het doen zijn. Mijn vriendin kijkt met haar handen tegen het raam bij de nieuwe woning naar binnen en zegt dat er nog een hoop werk aan de winkel is.
We lopen over straat. Het nieuwe huis is vijftien minuten lopen van het huis waar we nu wonen. Als we de straat uitlopen, pak ik de hand van mijn vriendin vast, ik ben nuchter, ik heb niet gedronken. Mijn vriendin kijkt me aan en zegt dat ze niet wist dat ik iemand ben die de hand van zijn vriendin vastpakt. Ik laat haar hand los en zeg dat ik dat deed omdat ik nuchter ben, dat ik mezelf niet ben. Mijn vriendin zegt dat ze het niet erg vindt. Ze probeert mijn hand weer te pakken, maar ik heb mijn handen in de zakken van mijn jas gestoken. Als we naar het nieuwe huis lopen, lopen we langs een park.
Door het park jogt een groep zwangere vrouwen. Het zijn er zeker zeventien. Ik pak de hand van mijn vriendin vast en trek haar naar beneden, om ons te verstoppen voor deze gestoorde onheilsbrengers. Vanachter een struik kijken we naar de joggende, zwangere vrouwen. Ze dragen felgekleurde kleding over hun bolle buiken en lijken zich niet te schamen. Op onze knieën sluipen we verder naar de nieuwe woning. Het wordt langzaam donker, we bereiken de nieuwe woning. Mijn vriendin durft de voortuin in te lopen en kijkt door de ramen van het nieuwe huis naar binnen. Ik kijk om me heen. Een overbuurman kijkt wat we aan het doen zijn. Mijn vriendin kijkt met haar handen tegen het raam bij de nieuwe woning naar binnen en zegt dat er nog een hoop werk aan de winkel is.
donderdag 11 april 2013
Tweede boek
Eigenlijk moet ik aan mijn tweede boek werken. Ik heb een eerste boek geschreven, een tweede boek is dan een logisch vervolg. Het probleem van het tweede boek is dat ik al helemaal weet hoe het verhaal gaat, ik weet hoe het begint, ik weet wat er daarna komt, ik weet hoe het boek afloopt, het is zonde om het allemaal nog uit te schrijven. In mijn hoofd is het tweede boek perfect, het tweede boek uittypen doet afbreuk aan de perfectie. Dus lig ik op de bank, houd mijn buik in en denk aan mijn tweede boek.
Ik zet de televisie aan en uit. Ik zet muziek op en af. Ik loop naar de boekenkast, ik zie alle boeken die ik nooit zal lezen, ik pak een boek uit de kast en sla het voorzichtig open, zodat ik het misschien nog aan iemand cadeau kan doen als ik weer eens vergeten ben een verjaardagscadeautje te kopen. Ik hoor hoe mijn vriendin, boven, haar werkkamer uitloopt en naar het toilet gaat. Ik kijk op mijn telefoon of ik nog nieuwe e-mails heb, ik heb geen nieuwe e-mails. Ik pak wijn uit de koelkast, schenk een glas wijn in, drink het glas leeg en schenk een nieuw glas wijn in. Ik ga aan tafel zitten en klap mijn laptop open. In de weerspiegeling van het zwarte scherm zie ik mezelf. Met mijn duim en wijsvinger draai ik dikke rechtopstaande punten van mijn haar. Door het raam zie ik hoe de achterburen in hun tuin staan te roken. Aan hun waslijn hangen twee roze fleecetruien. De truien hangen aan een klerenhanger en draaien dansend, in de wind, een schokschouderende dans. Ik zet mijn laptop aan en probeer alles te vergeten wat ik bedacht heb.
Ik zet de televisie aan en uit. Ik zet muziek op en af. Ik loop naar de boekenkast, ik zie alle boeken die ik nooit zal lezen, ik pak een boek uit de kast en sla het voorzichtig open, zodat ik het misschien nog aan iemand cadeau kan doen als ik weer eens vergeten ben een verjaardagscadeautje te kopen. Ik hoor hoe mijn vriendin, boven, haar werkkamer uitloopt en naar het toilet gaat. Ik kijk op mijn telefoon of ik nog nieuwe e-mails heb, ik heb geen nieuwe e-mails. Ik pak wijn uit de koelkast, schenk een glas wijn in, drink het glas leeg en schenk een nieuw glas wijn in. Ik ga aan tafel zitten en klap mijn laptop open. In de weerspiegeling van het zwarte scherm zie ik mezelf. Met mijn duim en wijsvinger draai ik dikke rechtopstaande punten van mijn haar. Door het raam zie ik hoe de achterburen in hun tuin staan te roken. Aan hun waslijn hangen twee roze fleecetruien. De truien hangen aan een klerenhanger en draaien dansend, in de wind, een schokschouderende dans. Ik zet mijn laptop aan en probeer alles te vergeten wat ik bedacht heb.
dinsdag 9 april 2013
Twee dromen
In mijn jeugd had ik twee dromen die realiteit moesten worden. Wat er verder met me gebeurde maakte me niet uit. Als de twee dromen maar uit zouden komen. De eerste droom was om iemand dood te zien gaan. De tweede droom was om getuige te zijn op iemands huwelijk. Nog twaalf nachtjes slapen en dan komt de tweede droom ook uit.
Abonneren op:
Berichten (Atom)
